
Reykjavik: een hoofdstad die op heet grondwater draait
Negen van de tien IJslandse woningen worden verwarmd met water uit de bodem. Dat is geen natuurwonder maar een besluit, genomen toen olie te duur werd.
In Reykjavik ligt in de winter zelden sneeuw op de stoep voor een winkel. Niet omdat er geveegd wordt, maar omdat er leidingen onder liggen met water dat uit de grond komt.
Het is het meest alledaagse gebruik van iets wat elders een krachtcentrale zou heten. IJsland verwarmt er woningen mee, en kassen, en zwembaden, en dus ook trottoirs.
Het cijfer dat het verhaal draagt
Ten minste negentig procent van alle woningen in IJsland wordt verwarmd met aardwarmte. Niet negentig procent van de nieuwbouw of van de hoofdstad, maar van alle woningen.
Dat is een aandeel dat geen enkel ander land benadert, en het is geen toeval van de geologie alleen. Er ligt een besluit onder.
Waarom het juist toen gebeurde
De omslag van kolen en olie naar geothermische stadsverwarming speelde zich af tussen 1930 en 1980. De beslissende duw kwam in de jaren zeventig.
Toen liepen de olieprijzen wereldwijd op, en IJsland zat in een lastige positie: een klein land, ver weg, volledig afhankelijk van ingevoerde brandstof om een winter door te komen die niet onderhandelt. De regering antwoordde door in de stadsverwarming olie te vervangen door aardwarmte.
Het gevolg is meetbaar. De kosten van verwarmen daalden sterk, en ze liggen sindsdien veel lager dan in de meeste andere landen. Wat begon als een noodgreep tegen een prijsschok, werd de gewoonste zaak van het land.
Dit is het aardige aan het IJslandse verhaal: het wordt meestal verteld als geluk, alsof er warm water onder je huis ligt en je alleen een kraan hoeft open te draaien. Maar de warmte lag er in 1950 net zo goed, en toen stookte men olie. Het verschil is een investering, een leidingnet en een politieke keuze op het juiste moment.
Een badplaats die een bijproduct is
De bekendste plek waar bezoekers met die warmte in aanraking komen, is de Blue Lagoon. Het water daar is een mengsel van zeewater en afgevoerd zoet water van de nabijgelegen Svartsengi-centrale.
Dat is dus geen natuurlijke bron waar toevallig een centrale naast is gebouwd, maar het omgekeerde: een bad dat is ontstaan bij een energiecentrale. Het blauwe, melkachtige water hoort bij de samenstelling van wat er uit de installatie komt.
Wat het elders wel en niet betekent
De verleiding is groot om hieruit te concluderen dat andere landen hetzelfde zouden moeten doen. Die conclusie gaat maar half op.
IJsland ligt op de scheiding tussen twee schuivende platen en heeft daardoor ondiep bereikbare warmte in ongewone hoeveelheden. Dat is niet over te planten. Wat wel overdraagbaar is, is het tweede deel van het verhaal: dat een land binnen enkele decennia een complete verwarmingsvoorziening kan omzetten, als de prijs van het alternatief hoog genoeg wordt en de investering eenmaal is gedaan.
Voor de bezoeker blijft vooral de kleine waarneming hangen. Geen rookpluimen boven de daken, geen olietanks in de tuinen, en in de winter een stoep die uit zichzelf droog blijft. De infrastructuur van dit land is grotendeels onzichtbaar, en dat is precies waarom je haar merkt.