
Kopenhagen: geen fietsvolk, maar een besluit na de oliecrisis
Rond 1970 was het aandeel van de fiets in Kopenhagen gezakt naar tien procent. Wat daarna gebeurde was geen volksaard maar beleid, en het begon met benzinebonnen.
Het beeld is bekend: Kopenhagen als stad waar iedereen fietst, alsof dat er altijd al zo is geweest. Dat beeld klopt voor nu en niet voor de geschiedenis.
In de late jaren zestig en vroege jaren zeventig zakte het aandeel van de fiets in het verkeer naar een dieptepunt van tien procent. Kopenhagen ging dezelfde kant op als vrijwel elke Europese stad: ruimte voor de auto, en fietsers die zich daartussen redden.
Wat het omkeerde
Denemarken was in die jaren overgestapt van steenkool op goedkope buitenlandse olie, en was daar zwaar afhankelijk van geworden.
Toen de oliecrisis van 1973 kwam, trof die Denemarken daarom harder dan de meeste landen. De regering moest benzine rantsoeneren en autovrije zondagen invoeren om de voorraden te sparen.
Dat is het scharnierpunt. Een land dat zich geen benzine kan veroorloven, gaat anders naar zijn straten kijken. Veel stadsbewoners vonden die autovrije zondagen bovendien niet erg; ze zagen wat een stad zonder auto's is.
Waarom het daarna bleef
Een crisis alleen verandert niets blijvends; toen de olieprijs daalde, gingen de meeste landen gewoon verder waar ze gebleven waren. In Kopenhagen niet, en dat komt door wat erop volgde: een uitgebreid stelsel van fietspaden.
Dat is de kern en het wordt makkelijk overgeslagen. Niet campagnes, niet voorlichting, maar aangelegde infrastructuur. Een fietspad dat los ligt van de rijbaan verandert de afweging van iemand die twijfelt, en die afweging is waar het om draait.
De stad had daarbij drie dingen mee die je niet kunt aanleggen: een dichte bebouwing, korte afstanden en vlak terrein. Dat is geen verdienste maar een uitgangspositie, en het verklaart waarom dit model niet zomaar in een heuvelachtige, uitgestrekte stad te kopiëren is.
Waar het nu staat
Er wordt in Kopenhagen dagelijks 1,2 miljoen kilometer gefietst. Dat getal zegt meer dan een percentage, want het gaat over afgelegde afstand en niet over hoeveel mensen ooit op een fiets zitten.
De stad geldt daarmee als een van de meest fietsvriendelijke ter wereld, en Denemarken presenteert het fietsen inmiddels zelf als onderdeel van de nationale cultuur.
Waarom dat laatste ook een valkuil is
Zodra iets cultuur heet, lijkt het aangeboren. En dat is precies de verkeerde les voor steden die het willen navolgen.
De Deense fietscultuur is ongeveer vijftig jaar oud en begon met een olieschok, benzinebonnen en daarna beton. Wie denkt dat Kopenhagen fietst omdat Denen nu eenmaal fietsen, ziet het eindresultaat aan voor de oorzaak.
Het bruikbare deel van dit verhaal is minder romantisch en veel hoopvoller: het aandeel van tien procent is niet gestegen doordat mensen van gedachten veranderden, maar doordat er iets werd aangelegd waardoor van gedachten veranderen redelijk werd.