
Rood Wenen: hoe belastinggeld woonhoven mogelijk maakte
Achter de monumentale gemeentehoven zit een fiscale keuze. Wenen gebruikte belastinggeld om betaalbare woningen te bouwen, met een bijzondere rol voor de progressieve woningbouwbelasting.
Wie door Wenen loopt, komt langs gebouwen die niet in het gewone stadsbeeld passen. Lange blokken met poorten die op binnenhoven uitkomen, zware gevels, torentjes, en boven de ingang een jaartal en een naam.
Dat zijn de gemeentehoven, en ze komen uit een korte en uitzonderlijke periode die bekendstaat als Rood Wenen, toen de Oostenrijkse sociaaldemocraten de stad bestuurden.
De belasting van Breitner
Het interessantste aan die gebouwen is niet hun architectuur maar hun boekhouding.
In 1923 voerde Wenen de Wohnbausteuer in: een sterk progressieve belasting voor de woningbouw, ontwikkeld onder financieel bestuurder Hugo Breitner. Die was een belangrijke financieringsbron voor de gemeentehoven, naast andere gemeentelijke middelen. Het was dus geen belasting die simpelweg naar Breitner heette, en ook niet uitsluitend een heffing op luxeartikelen.
Die financieringskeuze doet ertoe. Als de bouw met belastinggeld wordt betaald, hoeft de huur niet dezelfde financieringslast te dragen als bij een volledig met leningen betaald project. Het fiscale stelsel hielp zo om de woningen betaalbaar te maken.
Waarom ze eruitzien als burchten
De gemeentehoven zijn opvallend monumentaal voor sociale woningbouw. Massieve gevels, symmetrie, en poorten die eerder bij een overheidsgebouw passen dan bij een woonblok.
Dat is een keuze geweest, geen toeval. Wie woningen bouwt voor mensen die tot dan toe in slechte huisvesting zaten, kan dat op twee manieren doen: zo goedkoop mogelijk, of zo dat het gebouw zelf iets zegt.
Wenen koos het tweede. De hoven zijn gebouwd om gezien te worden, met binnenhoven, wasserijen, badhuizen, kleuterscholen en bibliotheken erin. Een woonblok werd een voorziening.
Waar op die plek eerder tuinen lagen, werden die door de gemeenteraad weggehaald om ruimte te maken. Ook dat zegt iets over de prioriteit die eraan werd gegeven.
De keerzijde van die vorm
Die zware, gesloten bouwwijze kreeg later een betekenis waar bij de bouw waarschijnlijk niemand als eerste aan dacht. Een gebouw met poorten die je kunt sluiten en binnenhoven die je niet vanaf de straat inkijkt, is verdedigbaar.
In de Oostenrijkse burgeroorlog van 1934 is dat ook zo gebruikt, en de Karl-Marx-Hof werd toen beschoten. Een woonblok werd een strijdtoneel, en dat is niet los te zien van hoe het is gebouwd.
Waarom het bleef bestaan
Het opvallendste is niet dat dit gebeurde, maar dat het standhield. Het model van gemeentelijke woningbouw is in Wenen niet afgebroken toen de politieke periode voorbij was.
Daardoor is er in de stad een woningvoorraad blijven bestaan die niet door de markt wordt geprijsd, en dat is de reden waarom Wenen in vergelijkingen van woonlasten steeds opvalt.
Wat daarvan te leren valt, begint dus niet alleen bij de gevels. Achter de monumentale poorten zit ook een begrotingskeuze: een stad die belastinginkomsten inzet voor wonen. Architectuur en financiering vertellen hier hetzelfde verhaal.