
De Eixample: waarom Barcelona geen scherpe hoeken heeft
Elk huizenblok in de uitbreiding van Barcelona heeft afgeschuinde hoeken. Dat is geen versiering maar een berekening, gemaakt voordat er auto's waren.
Wie een plattegrond van Barcelona bekijkt, ziet twee steden. Een middeleeuwse kluwen van kromme straatjes, en daarnaast een strak raster dat kilometers doorloopt.
Dat raster heet de Eixample, Catalaans voor uitbreiding. Het is ontworpen door Ildefons Cerdà, en het is preciezer doordacht dan een raster op het eerste gezicht lijkt.
De afgeschuinde hoek
Het opvallendste kenmerk zijn de blokken. Het zijn vierkanten, maar de hoeken zijn eraf gesneden, zodat op elk kruispunt een achthoekig plein ontstaat. In het Catalaans heten die blokken illes, in het Spaans manzanas.
Die afschuining is geen esthetische keuze. Cerdà hield in zijn plan uitdrukkelijk rekening met verkeer en vervoer, en een afgeschuinde hoek doet daar twee dingen voor.
Het eerste is zicht. Op een gewoon kruispunt kijk je tegen een muur aan tot je er middenop staat. Met een schuine hoek zie je de dwarsstraat al voordat je hem bereikt.
Het tweede is ruimte om te draaien. Een voertuig dat de hoek om moet, heeft een boog nodig; die boog past niet in een rechte hoek van negentig graden. Cerdà ontwierp dit in de negentiende eeuw, voor paard-en-wagen en voor de tram, en het bleek toevallig precies te werken voor de vrachtwagen en de bus die later kwamen.
Wat hij er nog meer in stopte
Naast verkeer hield Cerdà rekening met zonlicht, en dat is voor een negentiende-eeuws stadsplan opvallend.
Een raster met brede straten en een vaste oriëntatie zorgt ervoor dat het licht overal binnenkomt, en dat er geen straten zijn die het hele jaar in de schaduw liggen. Dat was een reactie op de oude stad, waar smalle straten en hoge gevels betekenden dat zon en lucht bij sommige woningen nooit kwamen.

Zijn plan ging bovendien uit van blokken die niet aan alle zijden dichtgebouwd zouden zijn, met open binnenterreinen en veel groen.
Waarom het er niet helemaal zo uitziet
Dat laatste is grotendeels niet gebeurd, en dat is het eerlijke deel van dit verhaal.
Grond in een groeiende stad is geld waard. Wat als half open blokken was bedacht, is in de praktijk aan alle vier de zijden volgebouwd, en veel binnenterreinen zijn dichtgezet in plaats van tuin geworden.
Wat overbleef is het skelet: het raster, de breedte van de straten en de afgeschuinde hoeken. De sociale bedoeling erachter, lucht en ruimte voor iedereen, is er maar ten dele van terechtgekomen.
Wat je er nu van merkt
Het raster is desondanks een van de best functionerende stadsuitbreidingen van Europa, en dat merk je aan iets onverwachts: er is overal ruimte over.
Die achthoekige kruispunten zijn oppervlak dat nergens voor nodig is. Ze zijn de laatste jaren gebruikt voor terrassen, fietsenstallingen, bomen en speelplekken, zonder dat er iets hoefde te worden gesloopt.
Een ontwerpkeuze uit de negentiende eeuw, bedoeld om koetsen te laten draaien, blijkt anderhalve eeuw later de reserveruimte te leveren waarmee de stad iets anders kan doen. Dat is zeldzaam, en het is de reden dat Cerdà nog steeds wordt bestudeerd.