
Gulyas: het woord betekent koeherder, niet stoofpot
Buiten Hongarije is goulash een dikke stoofpot met paprikasaus. In Hongarije is het soep, en de naam gaat niet over het eten maar over wie het maakte.
Vraag in Boedapest om goulash en je krijgt een soep. Een echte soep, met vocht dat je lepelt, waarin stukken vlees en groente drijven. Wat in Nederland, Duitsland of Oostenrijk goulash heet, een dik stoofgerecht in donkerrode saus, is daar een ander gerecht met een andere naam.
Dat verschil is geen kwestie van verkeerd koken. Het zit in het woord zelf.
Wat gulyas betekent
Gulyás betekent veehoeder, koeherder. Het is een beroep, geen gerecht.
Wat de herders maakten heette gulyáshús, letterlijk goulashvlees: het vleesgerecht van de koeherders. In de loop van de tijd is die tweede helft weggesleten, en is de naam van de man op zijn eten overgegaan. Vandaag verwijst gulyás naar allebei: naar de herders en naar de soep of stoofpot.
De Poesta als voorraadkast
Dat herders een eigen gerecht hadden, is in Hongarije geen folklore maar economie. Van de middeleeuwen tot ver in de negentiende eeuw was de Poesta, de grote laagvlakte, het thuis van enorme runderkudden.
Die dieren werden bij tienduizenden tegelijk weggedreven, naar de grootste veemarkten van Europa. Dat is geen dagreis. Wie weken onderweg is met een kudde, moet onderweg koken, buiten, met wat er is, boven een vuur.
Daar komt de vorm van het gerecht vandaan: één pot, lang op laag vuur, en veel vocht. Een ketel boven een vuur is geen sauteerpan.
Waarom er zoveel in gaat
In de middeleeuwen gebruikten de Hongaarse herders elk mogelijk deel van het dier, zoals overal gebruikelijk was. Vlees was schaars, dus vrijwel het hele beest ging de soep in.
Dat verklaart ook waarom gulyás van oudsher geen edel stuk vlees vraagt. Het gerecht is gebouwd op taaie delen die tijd nodig hebben, en op het idee dat niets overblijft. Wie er vandaag biefstuk in doet, maakt het niet beter maar korter.
De fout met de paprika
Er is één handeling waar het gerecht op staat of valt, en die gaat bijna iedereen buiten Hongarije verkeerd af.
Paprikapoeder mag niet in een gloeiend hete pan. Het verbrandt in seconden en wordt dan onherstelbaar bitter. In de Hongaarse keuken gaat de pan daarom van het vuur voordat de paprika erdoor gaat, en komt er meteen vocht bij.
Dat is ook waarom het gerecht pas laat in zijn huidige vorm kon ontstaan: paprika kwam via de Balkan naar Hongarije en werd pas na verloop van tijd het kenmerkende bestanddeel. De herderspot is ouder dan zijn bekendste smaakmaker.
Waar de verwarring vandaan komt
Wat elders goulash heet, is dichter bij wat de Hongaren pörkölt noemen: een stoofpot met veel ui en paprika en weinig vocht. Beide gerechten komen uit dezelfde keuken en delen hun basis, maar het onderscheid tussen soep en stoof is daar scherp.
Er zit geen oordeel in. Een goede Hongaarse stoofpot is een goede Hongaarse stoofpot. Maar als je in Boedapest het gerecht bestelt dat je thuis kent, moet je niet om gulyás vragen.
Het aardige is dat het misverstand een spoor van de geschiedenis is. Het gerecht reisde mee met de kudden, over de grens, en veranderde onderweg van vorm terwijl het zijn naam behield. Precies zoals de naam zelf, die ooit een man aanduidde en nu een maaltijd.
Zelf maken
Ingrediënten
- 800 g runderschenkel of -schouder in blokken van 3 cm
- 3 grote uien, fijngesneden
- 3 el zoet Hongaars paprikapoeder
- 1 tl karwijzaad, gekneusd
- 2 paprika's, in reepjes
- 2 tomaten, in blokjes
- 3 aardappelen in blokken
- 2 wortels, 1 stuk pastinaak
- reuzel of olie, zout
- 2 liter water
- optioneel: csipetke, een deegje van 100 g bloem en 1 ei, in stukjes geknepen
Bereiding
- Smoor de ui langzaam in reuzel tot hij goudbruin en zoet is. Dit duurt vijftien tot twintig minuten en is de basis van alles.
- Haal de pan VAN het vuur en roer er dan pas het paprikapoeder door. Paprika verbrandt bij hoge hitte in seconden en wordt dan bitter; dit is de klassieke fout.
- Voeg meteen een scheut water toe, dan het vlees, het karwijzaad en zout. Laat op laag vuur smoren tot het vlees bijna gaar is, anderhalf tot twee uur.
- Voeg de rest van het water toe, daarna paprika, tomaat, wortel en pastinaak. Kook twintig minuten.
- Voeg de aardappel toe en kook tot alles gaar is.
- Wil je csipetke: kneed bloem en ei tot een stevig deeg, knijp er kleine stukjes af en kook die de laatste tien minuten mee.
- Proef en breng op smaak. De soep hoort dun genoeg te zijn om te lepelen, met stukken die je kunt herkennen.
Allergenen: geen van de veertien gereguleerde allergenen in het basisrecept. Het basisrecept bevat geen van de veertien gereguleerde allergenen. Voeg je csipetke toe, dan komen gluten en ei erbij; gebruik je bouillonblokjes, let dan op selderij en gluten.
Bewaren: Binnen twee uur terugkoelen. Twee tot drie dagen in de koelkast; de smaak wordt de volgende dag beter. Opwarmen tot door en door heet.