
De foehn: de wind die warmer wordt door over een berg te gaan
In de Alpen kan het in een paar uur veertien graden warmer worden zonder dat de zon iets doet. De verklaring zit niet in de lucht die aankomt, maar in wat die lucht onderweg heeft achtergelaten.
Er zijn dagen in Innsbruck waarop de winter halverwege de ochtend ophoudt. De lucht wordt droog, de bergen komen onnatuurlijk dichtbij, en de thermometer loopt op terwijl er niets aan het weerbeeld lijkt te veranderen. Dat is foehn.
Een foehn is een droge, betrekkelijk warme valwind aan de lijzijde van een gebergte: de kant waar de wind vandaan komt gerold nadat hij de bergen over is. In de Alpen komt hij meestal met vochtige lucht die vanaf de Middellandse Zee over de bergketen wordt gestuwd.
Wat er onderweg gebeurt
Aan de loefzijde, de kant waar de wind tegenaan waait, moet de lucht omhoog. Stijgende lucht koelt af, en koude lucht kan minder waterdamp vasthouden. Dus regent het daar. De lucht verliest het grootste deel van haar vocht op de helling waar ze tegenop moet.
Aan de andere kant daalt diezelfde lucht weer. Dalende lucht warmt op. Tot zover is er niets bijzonders: omhoog is kouder, omlaag is warmer, dat geldt overal.
Het bijzondere zit in een verschil dat je niet ziet. Vochtige lucht koelt bij het stijgen langzamer af dan droge lucht bij het dalen opwarmt. Die twee tempo's zijn niet gelijk. Het gevolg is dat de lucht aan de lijzijde warmer aankomt dan ze op dezelfde hoogte aan de loefzijde was. De berg heeft de lucht niet alleen verplaatst, hij heeft haar veranderd.
Veertien graden in een paar uur
Dat verschil is geen theoretische fijnslijperij. Een foehn kan de temperatuur in een kwestie van uren met wel veertien graden doen stijgen. Wie 's ochtends met handschoenen de deur uitgaat, heeft ze 's middags in zijn jaszak.
Op de schaal van een heel klimaat telt het ook. Zwitserland, Zuid-Duitsland en Oostenrijk zijn mede door de foehn zachter dan je op die hoogte en breedtegraad zou verwachten. Het is geen incident maar een structurele bijdrage.
Het verschil met de mistral

Een foehn en een mistral zijn allebei winden die van hoog naar laag gaan, en ze voelen tegenovergesteld. De mistral, die vanuit Zuid-Frankrijk de Golf van Lion op blaast, daalt ook, maar warmt daarbij niet noemenswaardig op. Hij blijft koud.
Het verschil zit in de voorgeschiedenis. Een foehn heeft zijn vocht aan de loefzijde afgegeven en int bij het dalen de warmte die daarbij vrijkwam. De mistral komt als koude massa naar beneden zonder dat verhaal. Twee valwinden, twee jassen.
De wolk die stilstaat
Foehn is te zien voordat je hem voelt. Boven de kam blijft vaak een strakke, langgerekte wolkenbank hangen die niet met de wind mee lijkt te schuiven. In de Alpen heet die muur de foehnmuur.
Die wolk staat niet stil, ook al lijkt dat zo. Er stroomt voortdurend lucht doorheen: aan de loefkant condenseert vocht en groeit de wolk aan, aan de lijkant lost hij weer op in de dalende, opwarmende lucht. Wat je ziet is geen object maar een evenwicht. Hetzelfde verschijnsel is buiten de Alpen te zien, bijvoorbeeld boven de Cumbre Nueva op La Palma, waar foehnwolken op zo'n veertienhonderd meter oplossen.
Een naam die met de wind is meegereisd
Het woord foehn komt uit het Latijn: ventus favonius, een milde westenwind, met Favonius als Romeinse personificatie ervan. Via het Reto-Romaans, waar het favuogn of kortweg fuogn werd, kwam het in het Oudhoogduits terecht als phonno.
Dat een Romeinse naam voor een zachte westenwind is blijven hangen aan een Alpiene valwind, zegt iets over hoe mensen weer benoemen: niet naar waar het vandaan komt, maar naar wat het met je doet.