
De Vasa: het schip dat zonk omdat niemand de koning durfde tegen te spreken
Na dertienhonderd meter kapseisde het vlaggenschip van Zweden, in het zicht van de stad. Dat het er nu nog staat, komt doordat de Oostzee te zoet is voor de paalworm.
Op 10 augustus 1628 voer de Vasa uit voor haar eerste reis. Ze kwam ongeveer dertienhonderd meter ver. Toen kapseisde ze in de haven van Stockholm, voor de ogen van een stad die was komen kijken.
Het schip was gebouwd tussen 1626 en 1628 in opdracht van koning Gustaaf II Adolf, als onderdeel van de Zweedse militaire opbouw. Het was bedoeld als machtsvertoon: hoog opgebouwd, zwaar bewapend, van boven tot onder versierd met houtsnijwerk.
De fout zat in het ontwerp, niet in de bemanning
De gewichtsverdeling van de Vasa deugde niet. De romp was te topzwaar, en dat was geen detail dat je onderweg nog kon rechtzetten. Meer ballast bijladen hielp niet; het probleem zat zo diep in het ontwerp dat alleen een ingrijpende herziening het had kunnen verhelpen.
Dat oorlogsschepen in de zeventiende eeuw met opzet hoge opbouwen kregen, om als schietplatform te dienen, maakte het er niet beter op. En de veiligheidsmarges van die tijd lagen ver onder wat nu aanvaardbaar zou zijn. De Vasa was, in de nuchtere formulering van later onderzoek, een riskante onderneming.
Wat het onderzoek boven tafel kreeg
Na de ramp stelde de Zweedse rijksraad een onderzoek in. Tijdens die zitting kwam ook de stabiliteitsproef ter sprake die vooraf was gedaan.
De aanklager vroeg de scheepsbouwer Hein Jacobsson recht voor zijn raap: waarom hebt u het schip zo smal gebouwd, zo slecht en met te weinig bodem, dat het is omgeslagen?
Jacobsson antwoordde dat hij had gebouwd zoals Henrik Hybertsson het hem had opgedragen. Hybertsson, de oorspronkelijke scheepsbouwer, was kort daarvoor overleden. En Hybertsson had zich gehouden aan de specificatie die door de koning was goedgekeurd.
Jacobsson had het schip zelfs eigenhandig verbreed, met een voet en vijf duim, zo'n drieënveertig centimeter. Niet genoeg, maar het laat zien dat hij het probleem zag.
Daar wordt het verhaal ongemakkelijk. De ondergeschikten van de koning misten de politieke moed om de problemen van het schip openlijk aan te kaarten of de eerste reis uit te stellen. Iedereen wist het, niemand zei het. Aan het eind van het onderzoek werd niemand gestraft.

Waarom ze er nog is
Hier begint het tweede deel van het verhaal, en dat gaat over water.
In de jaren vijftig redeneerde de amateurarcheoloog Anders Franzen dat wrakken in de Oostzee een bijzondere kans maakten. Dat koude, brakke water is namelijk vrij van de paalworm Teredo navalis, het dier dat in warmere, zoutere zeeën gezonken hout in korte tijd opeet.
Franzen had al eerder wrakken gevonden. Jarenlang peilde hij zonder resultaat, tot hij de Vasa lokaliseerde, in een druk bevaren stuk van de haven van Stockholm. In 1961 werd het schip geborgen, met een grotendeels intacte romp, na driehonderddrieëndertig jaar op de bodem.
Bij die berging vonden mariene archeologen duizenden voorwerpen, en de resten van minstens vijftien mensen. Het schip was geen leeg decorstuk.
Van werf naar museum
De Vasa stond tot 1988 in een tijdelijk onderkomen dat Wasavarvet heette, de Vasawerf. Daarna verhuisde ze definitief naar het Vasamuseum in het Koninklijk Nationaal Stadspark in Stockholm. Tussen de berging en begin 2025 hebben meer dan vijfenveertig miljoen mensen haar gezien.
Het conserveren is niet klaar. Het museum laat weten dat het schip een nieuwe draagconstructie nodig heeft om niet opnieuw te verzakken. Een romp die driehonderd jaar door water werd gedragen, moet nu door staal overeind worden gehouden.
Wat je ziet als je binnenkomt is dus twee dingen tegelijk: een mislukking van vier eeuwen geleden, en de reden dat die mislukking als enige bewaard bleef. Duizend schepen uit die eeuw zijn spoorloos. Dit ene voer te kort om ver weg te zinken, en zonk in water dat het hout met rust liet.