
Het Prado: een hofschilder die zijn eigen museum inkocht
De verzameling in Madrid is gebouwd op wat de Spaanse kroon bezat. Een groot deel daarvan is aangekocht door de man die er zelf aan de muur hangt.
Het Museo Nacional del Prado werd op 19 november 1819 gesticht, als museum voor schilder- en beeldhouwkunst. Het gebouw was ontworpen door Juan de Villanueva, en de collectie kwam uit de voormalige Spaanse koninklijke verzameling.
Dat laatste bepaalt alles aan dit museum: wat er hangt, wat er niet hangt, en waarom het op een aantal punten sterker is dan grotere musea.
Wat een hofverzameling anders maakt
Een museum dat uit aankopen is opgebouwd, weerspiegelt de smaak van verzamelaars en de markt van hun tijd. Een hofverzameling weerspiegelt iets anders: wat een dynastie wilde bezitten, en wat ze kon krijgen.
Voor Spanje betekende dat in de zestiende en zeventiende eeuw veel. Het rijk strekte zich uit tot in de Nederlanden en Italië, en dat is direct terug te zien: naast Spaanse meesters hangen er Vlamingen, Venetianen en Duitsers, omdat die gebieden binnen dezelfde politieke sfeer vielen.
De collectie bestrijkt Europese kunst van de twaalfde eeuw tot het begin van de twintigste, en geldt als de beste verzameling Spaanse kunst die er is.
De rol van Velazquez
Hier zit het detail dat het Prado onderscheidt. Diego Velázquez was hofschilder, maar zijn taak was breder dan schilderen.
Hij was mede verantwoordelijk voor het verwerven van een groot deel van de collectie. Hij reisde, kocht, adviseerde over wat de kroon moest hebben, en bepaalde daarmee welke werken in Madrid terechtkwamen.
Dat is een ongebruikelijke samenloop: een van de belangrijkste schilders van het museum heeft zelf mee bepaald wat er verder hangt. Wie door het Prado loopt, ziet dus niet alleen zijn werk maar ook zijn oog.

De grote namen
Goya is de meest uitgebreid vertegenwoordigde kunstenaar van het museum. Daarnaast hangen er Jheronimus Bosch, El Greco, Rubens, Titiaan en Velázquez zelf.
Dat Bosch hier zo sterk aanwezig is, verbaast bezoekers die hem vooral als Nederlands beschouwen. De verklaring is opnieuw politiek: Spaanse vorsten verzamelden zijn werk, en de Nederlanden hoorden bij het rijk.
Met Goya ligt het anders. Hij is niet aangekocht als buitenlandse trofee maar was er zelf, als hofschilder, en het museum bezit daardoor zijn ontwikkeling in de volle breedte, van hoofse portretten tot de late, donkere werken.
Wat het museum niet is
In 2023 kwamen er 3.337.550 bezoekers, goed voor de dertiende plaats wereldwijd. Dat is aanzienlijk en het is een fractie van wat het Louvre trekt.
Dat verschil zegt weinig over kwaliteit en veel over wat voor soort museum dit is. Het Prado is diep in plaats van breed: het beslaat geen wereldgeschiedenis maar een periode en een sfeer, en het doet dat met werken die grotendeels op één plek zijn gebleven sinds ze werden gemaakt of gekocht.
Wie eraan gewend is dat een groot museum een encyclopedie is, moet hier iets anders verwachten. Dit is geen overzicht van alles, maar het volledige bezit van één hof, opengesteld.