
Paella: waarom een Valenciaan niet over chorizo wil praten
Het bekendste gerecht van Spanje komt uit een moerasgebied bij Valencia en bevat geen chorizo. Wat er wel in hoort, is korter dan je denkt.
Er is een categorie gerechten waarover je in het land van herkomst beter niet luchtig doet. Paella hoort daarbij, en het verschil tussen de discussie daar en het beeld hier is groot.
Waar het vandaan komt
Paella komt uit de Valenciaanse gemeenschap. In zijn moderne vorm is het terug te voeren op het midden van de negentiende eeuw, op het platteland rond de lagune Albufera de València, naast de stad.
Dat is geen kustgerecht en geen stadsgerecht. Het is een gerecht uit de rijstvelden: gemaakt van wat er in dat landschap voorhanden was. Kortkorrelige rijst, kip, konijn, platte sperziebonen en witte bonen, saffraan. Zeevruchten zaten er oorspronkelijk niet in.
Hoe het uitwaaierde
Toen het gerecht bekend werd, groeide het mee met wie het maakte. Buiten Valencia gingen er zeevruchten in, ander vlees, worst waaronder chorizo, en steeds meer kruiden.
Restaurants elders in Spanje zetten die gemengde versie vaak op de kaart onder de naam paella valenciana. Valencianen houden daar tegenin dat alleen de twee oorspronkelijke Valenciaanse recepten die naam verdienen.
Wat je daarvan vindt, is smaak. Maar het is nuttig om te weten dat de discussie niet over chauvinisme gaat maar over een naam: de vraag is niet of iets lekker is, maar of het paella valenciana mag heten.
De laag onderin die je wilt hebben
Na het koken zit er onderin de pan een laag aangebakken rijst. Die heet in het Valenciaans socarrat, en anders dan een beginner vermoedt is dat geen ongeluk.
De laag ontstaat vanzelf als je op een brander of open vuur kookt. Zolang hij niet verbrand is, geldt hij als het beste deel, en Valencianen eten hem met plezier. Er wordt naar geluisterd: tegen het einde van de kooktijd hoor je een zacht knetteren, en dat is het moment waarop de socarrat zich zet.
Dat betekent ook dat een paella die in een oven onder een deksel is afgemaakt iets mist wat het gerecht juist kenmerkt.
De grootste fout die buitenlanders maken
Roeren. Wie paella als een risotto behandelt en blijft roeren, krijgt een romige rijstpap: goed mogelijk lekker, maar het is iets anders.
In een paella wordt de rijst één keer gelijkmatig verdeeld en daarna met rust gelaten. Het vocht moet erdoorheen zakken en verdampen, de korrels moeten los blijven en onderin moet die korst kunnen ontstaan. Roeren maakt alle drie onmogelijk.
De pan is daarom ook breed en laag: een dunne laag rijst met veel oppervlak, zodat het vocht wegtrekt in plaats van te stoven.
Rusten hoort erbij
Als het vuur uitgaat, is het gerecht nog niet klaar. Een paella rust vijf tot tien minuten na het koken, afgedekt. In die minuten trekt het laatste vocht gelijkmatig door de korrel.
En dan de donderdag
Tot slot een detail dat in Spanje iedereen kent en daarbuiten vrijwel niemand: paella staat van oudsher op donderdag op de kaart in restaurants.
Er zijn verschillende verklaringen voor die gewoonte in omloop, en die laat ik hier voor wat ze zijn. Maar het is een aardige toets voor wie in Spanje uit eten gaat. Een tent waar op donderdag paella staat, volgt een gewoonte. Een tent waar hij elke dag op een bord buiten staat, richt zich op bezoekers.
Zelf maken
Ingrediënten
- 400 g kortkorrelige rijst, bij voorkeur bomba of senia
- 1 kip in stukken, ongeveer 800 g
- 500 g konijn in stukken
- 200 g platte sperziebonen
- 150 g witte bonen, gekookt
- 2 rijpe tomaten, geraspt
- 1 tl zoet paprikapoeder
- een royale snuf saffraandraadjes
- olijfolie, zout
- ongeveer 1,6 liter water of lichte bouillon
- optioneel: een takje rozemarijn
Bereiding
- Verhit olie in de pan en bak kip en konijn rondom bruin. Neem de tijd; dit is de smaakbasis en er komt verder weinig bij.
- Schuif het vlees naar de rand, bak de sperziebonen kort mee, voeg de geraspte tomaat toe en laat inkoken tot een donkere massa.
- Roer het paprikapoeder erdoor en blus meteen met het water; paprikapoeder verbrandt in seconden.
- Voeg saffraan, witte bonen en zout toe. Laat twintig tot dertig minuten zachtjes koken.
- Strooi de rijst gelijkmatig in. Verdeel hem met de lepel en roer daarna NIET meer. Dit is het verschil met risotto: hier moet de korrel juist met rust worden gelaten.
- Kook op hoog vuur ongeveer tien minuten, daarna acht tot tien minuten zachter, tot het vocht weg is.
- Zet het vuur de laatste minuut hoog en luister: een licht knetteren betekent dat de socarrat zich vormt. Ruik je brand, dan is het te ver.
- Neem van het vuur, dek af met een doek en laat vijf tot tien minuten rusten voor je opdient.
Allergenen: geen van de veertien gereguleerde allergenen in het basisrecept. Het basisrecept hieronder bevat geen van de veertien gereguleerde allergenen. Let wel op de bouillon: veel bouillonblokjes bevatten selderij en gluten. Gebruik je zeevruchten in plaats van vlees, dan komen schaal- en weekdieren erbij.
Bewaren: Rijstgerechten koelen binnen twee uur terug en zijn de volgende dag te verhitten tot ze door en door heet zijn. Niet lauw bewaren.