
De Bernina: een trein die zonder tandrad over de Alpen klimt
De meeste bergspoorlijnen hebben een tandradsysteem nodig. Deze niet, en de manier waarop dat is opgelost zie je het duidelijkst vlak voor de eindbestemming.
Een trein die een berg op moet, heeft een probleem: staal op staal geeft weinig grip. Boven een bepaalde helling gaan de wielen doordraaien, en dan moet er een tandrad tussen de rails komen waar de locomotief zich aan optrekt.
De Berninalijn doet het zonder. Ze klimt over de Berninapas en daalt daarna naar Tirano in Italië, en ze doet dat op gewone adhesie: wielen op rails, meer niet.
De lijn werd geopend in twee etappes, op 1 juli 1908 en 5 juli 1910, en is eigendom van de Rhaetische Bahn.
Hoe je zonder tandrad omhoogkomt
Het antwoord is eenvoudig en arbeidsintensief: je maakt de helling minder steil door de weg langer te maken.
Dat betekent dat de lijn niet recht tegen een berg op gaat maar zich eromheen wikkelt. Ze volgt hellingen in een flauwe stijging, zoekt bochten op, en legt kilometers af om hoogtemeters te winnen die je te voet in een fractie van die afstand zou nemen.
Tussen Le Prese en Miralago loopt de lijn een stuk langs het meer van Poschiavo, op 965 meter hoogte. Daar klimt ze niet; ze houdt hoogte en wacht op een plek waar dalen kan.
Het spiraalviaduct van Brusio
Het bekendste onderdeel van de lijn is het antwoord op de moeilijkste plek. Onder Brusio moet de trein snel hoogte verliezen, en er is geen ruimte om dat met een lange lus te doen.
De oplossing is het spiraalviaduct van Brusio: een viaduct van honderdzestien meter dat een volledige cirkel beschrijft, in de open lucht, zonder tunnel. De trein rijdt eroverheen, draait om zijn eigen as en komt er lager weer onderuit.
Dat is bijzonder omdat spiralen in de Alpen meestal in de berg zitten. Een keerlus wordt normaal gesproken in een tunnel gelegd, uit het zicht. Hier ligt hij vrij in het landschap, tussen de wijngaarden, en je kunt vanuit de trein zien waar je een minuut geleden reed.
Wat de cijfers laten zien
De hoogtes langs het laatste stuk vertellen het verhaal beter dan een beschrijving. Le Prese ligt op 965 meter, Brusio op 780, Campascio op 637, Campocologno op 553, en de grens met Italië op 530 meter.
Dat is een daling van ruim vierhonderd meter over een handvol kilometers, zonder tandrad, met een treinstel dat gewoon remt op wielen. Het spiraalviaduct is de plek waar een deel van dat verschil wordt weggewerkt.
Waarom dat de moeite waard is om te weten
Een panoramische treinrit wordt meestal verkocht op uitzicht: gletsjers, dalen, vee in de wei. Dat is er ook allemaal.
Maar de reden dat de lijn indruk maakt op mensen die niets met treinen hebben, is dat ze voelbaar maakt hoe een landschap wordt overwonnen zonder het te doorboren. Er zijn tunnels, maar de lijn is in hoofdzaak een route die zich aan de berg aanpast in plaats van er dwars doorheen te gaan.
Dat is een ouderwetse manier van bouwen, en precies daarom is het te zien. Bij een moderne basistunnel merk je van de berg niets. Hier zit je er anderhalf uur tegenaan te kijken terwijl je hem afdaalt.