
Fjorden: dalen die dieper zijn uitgesleten dan de zee
Een fjord is geen dal dat toevallig is volgelopen. Het is een dal dat zo diep is uitgeschuurd dat de bodem ver onder zeeniveau ligt, en bij de uitgang zit een drempel.
Een fjord is een lange, betrekkelijk smalle zeearm met steile wanden, in een dal dat ooit door een gletsjer is gevormd en daarna onder water is komen te staan.
Dat klinkt als een dal dat is volgelopen toen de zeespiegel steeg, en dat is het deels ook. Maar het eigenlijke verhaal zit in de diepte.
Hoe diep is diep
De Sognefjord in Noorwegen reikt tot ongeveer dertienhonderd meter beneden zeeniveau. Niet de bergen erboven, de bodem eronder.
Dat is het punt waar de gewone verklaring tekortschiet. Stromend water kan niet lager uitslijten dan het niveau waarop het uitkomt; een rivier stopt bij de zee. Een dal dat ruim een kilometer onder zeeniveau ligt, kan dus niet door een rivier zijn gemaakt.
Een gletsjer kan dat wel. IJs stroomt onder zijn eigen gewicht en trekt zich niets aan van zeeniveau; het schuurt door waar het langs komt. Die overdieping ten opzichte van de oceaan is dan ook het sterkste bewijs dat fjorden van glaciale herkomst zijn.
Waar het mee begon
Fjorden zijn niet vanuit het niets uitgesleten. Ze ontstonden in dalen die er al vóór de ijstijd lagen, met een flauw hellende bodem, zoals rivierdalen die hebben.
De gletsjer volgde die bestaande dalen en verbouwde ze. Waar een rivier een V-vormig dal maakt, laat ijs een U-vormig dal achter met een brede bodem en steile wanden, en dat dal eindigt abrupt aan het eind in plaats van geleidelijk af te lopen.
Toen het ijs verdween en de zee naar binnen kwam, werd zo'n dal een fjord. Dezelfde vorm boven de zeespiegel levert geen fjord op maar een gewoon Alpendal.
De drempel bij de monding
Bijna elke fjord heeft bij de uitgang een drempel van vast gesteente, ondieper dan de rest.
Dat lijkt tegenstrijdig: waarom zou het net bij de monding minder diep zijn uitgeschuurd? De verklaring zit in het gedrag van het ijs. Bij de monding kon de gletsjer zich verbreden en uitspreiden, en ijs dat zich spreidt oefent minder kracht uit op de ondergrond. Daar kwam de eindmorene bij, het puin dat een gletsjer voor zich uit schuift en bij zijn uiterste stand achterlaat.
Die drempel heeft gevolgen die je ter plekke kunt zien. Water dat een smalle, ondiepe doorgang in of uit moet, versnelt. Bij sommige fjorden levert dat zeer sterke stroming op en zelfs zoutwaterstroomversnellingen: stroomversnellingen in zee in plaats van in een rivier, die van richting omkeren met het getij.
En waar zo'n drempel boven zeeniveau uitkomt, komt er helemaal geen zeewater meer binnen. Dan is het resultaat geen fjord maar een zoetwatermeer in dezelfde vorm.
Waarom het er zo uitziet
De combinatie van die drie eigenschappen verklaart het beeld waar mensen voor komen: wanden die recht uit het water opstaan, water dat vlak bij de kant al honderden meters diep is, en een landschap dat geen strand heeft.
Er is geen geleidelijke overgang van land naar zee omdat de gletsjer die niet heeft gemaakt. Wat je ziet is de zijkant van een dal, en het water staat er gewoon tegenaan.