
Zee-ijs rond Spitsbergen: wat het Arctische minimum van 2026 zegt over Svalbard
Het Arctische zee-ijs bereikte op 12 september 2026 zijn kleinste omvang van het jaar, gedeeld tiende laagste sinds de satellietmetingen. In de Barentszzee bij Svalbard slinkt het septemberijs met 28,9 procent per decennium. Wat dat betekent voor ijsberen, walrussen en fjorden.
Op woensdag 23 september 2026 maakten NASA en het Amerikaanse National Snow and Ice Data Center (NSIDC) bekend dat het zee-ijs op de Noordelijke IJszee op 12 september zijn kleinste omvang van het jaar bereikte. Het ijs besloeg naar schatting 4,6 miljoen vierkante kilometer. Daarmee deelt 2026 met 2008, 2010 en 2025 de tiende plaats van laagste minima sinds het begin van de satellietmetingen.
Een uitschieter is het niet, schrijft NASA: het minimum past in het patroon. De twintig jaren van 2007 tot en met 2026 hebben samen de twintig laagste minima opgeleverd sinds eind 1978, toen de doorlopende satellietmetingen begonnen. "We zitten op een plateau, maar we zitten nog steeds laag vergeleken met het begin van de meetreeks", zei onderzoeker Walt Meier van het NSIDC tegen NASA.
Hoe je een minimum meet
Arctisch zee-ijs groeit in de donkere, koude herfst en winter en trekt zich terug als het in lente en zomer warmer wordt. Meestal is het ijs in september het kleinst. Hoeveel er in een zomer smelt, hangt sterk af van het weer.
Wat gemeten wordt, is de ijsbedekking: het zeeoppervlak waar ten minste wat ijs ligt. Het Noorse meteorologisch instituut MET Norway legt uit dat daarvoor een drempel geldt. In de satellietreeks die het mede ontwikkelt, telt een stukje zee mee als het voor meer dan 15 procent met ijs bedekt is. In zijn eigen ijskaarten voor Svalbard ligt die grens op 10 procent. Verschillende methoden kunnen daardoor iets andere getallen geven, al laten ze volgens MET Norway in grote lijnen dezelfde schommelingen en trends zien.
De satellietreeks is lang. Volgens NASA begon hij in oktober 1978 met de satelliet Nimbus-7. Tegenwoordig komen de gegevens van het instrument AMSR2 aan boord van de Japanse satelliet GCOM-W. Ook de datum is een schatting: het ijs bereikte zijn minimum op 12 september "waarschijnlijk", schrijft het NSIDC.
Waarom Svalbard een eigen verhaal heeft

Rond Svalbard volgt het Noorse milieumonitoringsprogramma MOSJ de ijsbedekking in twee zeeën: de Barentszzee en de Framstraat. Het meet in april, als die het grootst is, en in september, als die het kleinst is.
De cijfers zijn opvallend. In de Barentszzee nam de ijsbedekking in september per decennium met 28,9 procent af, vergeleken met het gemiddelde over meerdere jaren, meldt MOSJ. In de Framstraat was dat 13,6 procent per decennium. De Barentszzee hoort volgens MOSJ bij de Arctische gebieden waar het meest verandert. De kleinste septemberbedekking daar werd gemeten in 2013, en in 2020, 2021, 2024 en 2025 lag ze bijna even laag.
Hogere zee- en luchttemperaturen betekenen minder ijs, schrijft MOSJ. Ook zeestromen spelen mee, zoals het warme Atlantische water dat de Barentszzee bereikt. Onderzoekers van onder meer de Poolse Academie van Wetenschappen vatten eerder onderzoek zo samen: in de Framstraat, ten westen van Svalbard, maakt steeds meer Atlantisch water het zeewater warmer, waardoor het ijs dat daar langs drijft sneller smelt.
Dat werkt zichzelf in de hand. Met sneeuw bedekt zee-ijs kaatst bijna 80 procent van het zonlicht terug, open water neemt 90 procent op, legt MOSJ uit. Minder ijs betekent dus meer opgenomen warmte.
IJsberen, walrussen en fjorden
Voor de ijsbeer is het ijs werkterrein. Het dier staat als kwetsbaar op de Noorse Rode Lijst van 2021, en de opwarming is volgens het Noorse Poolinstituut de grootste bedreiging. Drachtige vrouwtjes moeten in de herfst over het ijs naar eilanden als Hopen en Kongsøya om daar een hol te maken. Rond de vijf belangrijkste holgebieden is het aantal dagen met voldoende ijs sinds 1979 afgenomen. Op Hopen daalde ook het aantal holen.
Toch is het beeld niet eenduidig. De populatie is sinds de bescherming in 1973 waarschijnlijk flink gegroeid, en is de afgelopen tien tot vijftien jaar niet afgenomen, ondanks veel minder ijs, schrijft het Poolinstituut. Volwassen mannetjes kwamen de laatste twintig jaar zelfs in betere conditie.
De walrus is volgens het Poolinstituut minder kwetsbaar voor veranderingen in het zee-ijs dan andere soorten. Na eeuwen van jacht waren er bij de bescherming in 1952 nog maar ongeveer honderd dieren over. Bij de telling van 2018 schatte het Poolinstituut het aantal in het gebied van Svalbard op 5.503.
In de fjorden gaat het om de ringelrob. Bevriest een fjord pas laat in de winter, dan ontbreekt volgens het Poolinstituut de sneeuw om een hol in te maken, en moeten ringelrobben hun jongen soms op het kale ijs werpen, waar ijsberen, vossen en meeuwen ze snel vinden.

Een blauw brok gletsjerijs drijft in kalm, grijsblauw water bij Spitsbergen. · Smiley.toerist, CC BY-SA 4.0